Het Haarlemse jochie dat geen woord Nederlands meer sprak

Leestijd: ca. 11 min.


Zo bizar zou het ongeveer geklonken hebben als Michael Jordan in 1998 een geweer als afscheidscadeau had gekregen toen hij de NBA vaarwel zei:

‘Beste Michael, bedankt voor wat je allemaal voor ons betekend hebt. We gaan je missen. De Chicago Bulls zijn dankzij jou zes keer kampioen van de NBA geworden en Chicago is jou eeuwig dankbaar. Namens de Bulls en de fans hebben we een cadeau voor je. Graag overhandig ik jou dit gloednieuwe, ultramoderne dubbelloopse jachtgeweer, waar geen prooi aan ontkomt. Veel plezier ermee!’

De hele wereld zou natuurlijk over de Bulls heen gevallen zijn als deze ten overstaan van miljoenen tv-kijkers Michael Jordan een moordwapen als afscheidscadeau hadden gegeven. Maar natuurlijk is dat niet gebeurd. Jordan kreeg eeuwige roem en het langste applaus ooit, in plaats van een geweer. Want tijden veranderen, ook in het op wapens verzotte Amerika.

Wanneer basketballer Hank Beenders in het voorjaar van 1946 in de Madison Square Garden in New York een jachtgeweer overhandigd krijgt, kijkt echter geen van de ruim zeventienduizend toeschouwers raar op. Een hengel en een mooi geweer; prima afscheidscadeautjes toch, voor de man die de universiteit van Long Island gedag zegt en hard op weg lijkt naar de profs? Jagen en vissen zijn per slot van rekening Beenders’ grote liefdes, meer nog dan de basketbalsport, zo weet iedereen.

‘Ik denk echter niet dat zoiets vandaag de dag nog zou gebeuren”, mailt Kevin Beenders met veel gevoel voor understatement vanuit Amerika, over het afscheidscadeau destijds voor zijn vader. Kevin is de oudste zoon van Beenders, die in 2003 in zijn woonplaats in New Jersey overleden is.

Weinig bekend

Henry ‘Hank’ Beenders emigreert in 1924 als achtjarige ventje naar Amerika. In 1946 is hij de eerste Nederlander in de NBA, ruim veertig jaar voordat Eindhovenaar Rik Smits in zijn voetsporen treedt. In een tijd dus waarin sporters na de wedstrijd nog bier drinken om de dorst te lessen, geregeld op de vuist gaan met toeschouwers en veelal per trein naar verre uitwedstrijden reizen. Maar wat blijkt er ontzettend weinig bekend over die allereerste Nederlander in de NBA.

Beenders (links) met zijn broers en zus rond 1922. Foto: Robin Fitzgerald.

Wat ben ik daarom opgelucht als ik op een zondagmiddag, wanneer ik de hoop al bijna opgegeven heb, opeens een lange email van zoon Kevin krijg. Keer op keer loopt het spoor naar informatie over Beenders’ leven en loopbaan namelijk praktisch dood en blijft hij een intrigerend maar vooral door nevelen omhuld figuur uit de Nederlandse sportgeschiedenis.

Wanneer Beenders in 1946 de NBA betreedt wordt er in Nederland pas acht jaar professioneel gebasketbald. De eerste competitie wordt namelijk in 1938 in Amsterdam gespeeld en pas in 1947 ziet de Nederlandse Basketball Bond het levenslicht. Geen wonder wellicht dat het Nederlandse journalisten uit die tijd compleet lijkt te ontgaan dat in Amerika een landgenoot op het allerhoogste niveau aan het basketballen is. In krantenarchieven uit die tijd is in ieder geval geen enkele aanwijzing te vinden dat redacteuren weet hebben van- of interesse hebben in het bestaan van Beenders en die nog wat onbekende sport die bij beoefent, daar aan de andere kant van de oceaan.

In Amerika is dat totaal andere koek. De eerste (semi-) professionele competities ontstaan al in de jaren twintig van de vorige eeuw. En terwijl in Nederland de sport nauwelijks bekendheid geniet, trekken universiteitswedstrijden in Amerika vaak vele duizenden toeschouwers.

Nieuwe ster

Beenders is begin jaren veertig naar verluidt een van de bepalende spelers bij Long Island University (LIU), al zijn statistieken over zijn prestaties niet meer te vinden. In oude kranten vind ik hier en daar echter een klein stukje van de puzzel. In 1941 kopt de New York Times: ‘Beenders ontpopt zich als nieuwe ster van LIU’, wanneer hij zijn kans grijpt als hij de geblesseerde Ossie Schectman vervangt als basisspeler. Beenders is die wedstrijd topscorer met veertien punten en heeft volgens de Times een goed afstandsschot.

Ook vind ik een wedstrijdverslag uit december 1941, wanneer de vijfentwintigjarige Beenders met nog veertig seconden te gaan het winnende schot maakt tijdens een wedstrijd tegen de universiteit van Oregon. De ruim zeventienduizend (!) toeschouwers in de New Yorkse Madison Square Garden zijn de laatste vijf minuten allemaal gaan staan, zo spannend is de wedstrijd.  Datzelfde jaar wint hij met LIU het prestigieuze National Invitational Tournament, wat bewijst dat zijn team tot de top van Amerika behoort. Mede dankzij die prestaties krijgt Beenders in 2008 een plekje in de Hall of Fame – een soort eregalerij – van LIU.

Hank Beenders (met bal), als speler van Long Island University, in 1940. Foto: New York Times.

Maar makkelijk gaat het Beenders naar verluidt niet af, op zijn pad naar de profs. Op de weinige foto’s die er van hem circuleren oogt hij blijkbaar niet voor niets als iemand die je eerder achter de balie van een bibliotheek verwacht dan op de parketvloer van een basketbalstadion. Beenders’ coach bij LIU, de legendarische Clair Nee, is volgens een krantenbericht uit 1942 namelijk “trots op het succes dat hij heeft met het opleiden van grote, onhandige jongens tot soepele basketballers met oog voor het spelletje.” En wie staat er levensgroot op een foto naast het artikel? Inderdaad; Hank Beenders, of ‘Big Hank’ zoals hij blijkbaar genoemd wordt.

“Beenders is zonder enige twijfel het meest verbazingwekkende project uit Bee’s loopbaan”, aldus de journalist van de Brooklyn Daily Eagle. ”De ontwikkeling van de flegmatische Beenders verliep aan het begin zo traag dat hij er verantwoordelijk voor was dat het team zeven dagen per week ging trainen. Toen Beenders zich voor de eerste training meldde, kon hij vrijwel niks. Elke andere coach zou een goed gesprek met hem gevoerd hebben en hem voor zijn eigen bestwil geadviseerd hebben om een basketbalcarrière te vergeten.”

Nadat Beenders, die uiteindelijk ondanks deze vernietigende teksten wel degelijk een goede basketballer wordt, afzwaait bij LIU moet hij zijn ambities om het te maken bij de profs echter jarenlang in de ijskast zetten. Tussen 1942 en 1945 dient hij namelijk bij de Amerikaanse luchtmacht. Hij wordt uitgezonden naar het oorlogsgebied in Azië. Ook daar blijft hij trouwens  ‘gewoon’ basketballen. Een laatste krantenbericht dat ik vind, uit december 1945, maakt namelijk melding van een of ander toernooi in Manilla, de hoofdstad van de Filipijnen. Beenders en zijn team vertegenwoordigen een basis op Okinawa, het Japanse eiland waar een half jaar eerder meer dan tienduizend Amerikaanse en meer dan honderdduizend Japanse soldaten de dood vinden.

Steamrollers

Na terugkeer in Amerika tekent Beenders in de zomer van 1946 dan toch bij zijn eerste profclub, de Providence Steamrollers (de ‘stoomwalsen uit Providence’); een clubnaam die verwijst naar het bouwbedrijf van eigenaar Lou Pieri. De Steamrollers komen uit in de nieuw opgerichte Basketball Association of America (BAA), de voorloper van de NBA.

Volgens Charley Rosen, een bekende Amerikaanse basketbaljournalist, speelt het team in de koudste arena van de BAA, zo schrijft hij in een van zijn boeken. De houten basketbalvloer wordt elke keer op de aanwezige ijsvloer gelegd; het stadion dient namelijk vooral als ijshockeystadion.

Belangrijker nog is dat hij in het bewuste boek naar Beenders verwijst, als een dunne, snelle speler – zeker gezien zijn lengte van bijna twee meter – die met zijn dertig jaar een van de meer ervaren spelers van het team is. Rosen schrijft het boek op basis van tientallen opgenomen interviews met spelers en coaches uit die tijd, die hij van een bevriende journalist erft. Maar wat er in die interviews over Beenders verteld is zal niemand ooit weten. “Helaas heb ik thuis brand gehad”, mailt Rosen mij. “Al mijn aantekeningen zijn daarbij verloren gegaan. Succes met je zoektocht.”

Eenvoudige komaf

Die zoektocht leidt mij ondertussen ook naar het Noord-Hollands Archief in het centrum van Haarlem, waar Beenders in 1916 geboren moet zijn. Op een frisse herfstdag loop ik er binnen, in de hoop iets over hem te vinden. In de doodstille studiezaal vol kasten met microfilms, waar talloze mensen geconcentreerd op zoek zijn naar stemmen uit het verleden, wordt ik echter weinig wijzer. Het digitale archief leert mij nog wel dat Beenders’ ouders van eenvoudige komaf waren, al geldt dat voor vrijwel alle Nederlanders die destijds naar Amerika trokken. Vader Anton staat in 1912 geregistreerd als stucadoor, de zoon van een ‘los werkman’. Moeder Grada is de dochter van een sigarenmaker.

Teleurgesteld over het bericht van Rosen ben ik in de tussentijd ook op zoek gegaan naar figuren die Beenders tegengekomen moeten zijn in de basketbalwereld; zijn voormalige medespelers en coaches. Maar we hebben het hier wel over eind jaren veertig; wie van deze mensen is én nog in leven én kan zich Beenders nog herinneren? En wie van hen kan ik überhaupt opsporen? Het lijkt er sterk op dat nog slechts twee van zijn teamgenoten van toen in leven zijn. Beiden speelden net als Beenders in het seizoen 1948-1949 voor de Boston Celtics.

Voorop in de strijd

De van Griekse immigranten afstammende Amerikaan George Kaftan (zijn ouders heetten Kapetanakis), inmiddels negentig jaar oud, kan zich Beenders helaas niet meer herinneren. De ander, de in Chicago wonende Johnny Bach, blijkt  nota bene zelf van Nederlandse komaf te zijn en herinnert zich Beenders wel, af blijft het bij wat flarden. “Een lange vent, die goed kon schieten. Rustig, en in die zin geen leiderstype. Maar hij ging wel voorop in de strijd”, aldus Bach. In hoeverre hij echt een betrouwbare bron is, valt echter te betwijfelen. Hij herinnert zich Beenders als een vent die “zeker twee meter tien lang was” maar in werkelijkheid haalde Beenders de twee meter niet. Bach, inmiddels overleden, graaft natuurlijk in herinneringen die meer dan een halve eeuw teruggaan.

Ik ga er vanuit dat Beenders’ familie mij wel meer kan vertellen. Maar hen vinden blijkt lastiger dan gedacht. Al wekenlang struin ik het internet af, maar ik kom al snel bijna honderd Amerikanen tegen die Beenders heten. En dat zijn alleen nog maar diegenen die in het telefoonboek staan. Hen allemaal bellen? Als het moet dan moet het, maar ergens hoop ik toch een aanwijzing te vinden wie ik moet hebben.

Uiteindelijk vind ik die als ik de overlijdensadvertentie van Beenders’ vrouw Kathleen ontdek, die in 2009 blijkt te zijn overleden. Ik lees dat het stel vier kinderen heeft; drie zonen en een dochter. En de eerste van wie ik de contactgegevens vindt, is de man van Beenders’ dochter, genaamd Bruce. Samen met Beenders’ zoon Kevin heeft hij in een dorpje in New Jersey een machinefabriek, in de streek waar Hank Beenders een groot gedeelte van zijn leven doorbrengt. Bruce reageert positief maar kort, als ik hem bel en uitleg dat ik onderzoek doe naar het leven van zijn schoonvader. Ik mag een email sturen, die hij dan aan zijn vrouw – Beenders’ dochter – zal voorleggen. Ondanks een reminder van mijn kant blijft het vervolgens echter wekenlang stil.

Dan maar alvast contact leggen met de clubs waar Beenders ooit speelde, voor zover deze nog bestaan. Want de Steamrollers hielden het slechts uit tot 1949. De Celtics en de Warriors, waar Beenders vervolgens van 1947 tot 1949 speelde, kunnen mij echter ook niet verder helpen. “Helaas lijkt het erop dat we niets meer van de heer Beenders hebben”, mailt de pr-directeur van de Warriors mij. “Wat we aan archief hadden uit onze tijd in Philadelphia ging verloren toen het team in 1962 naar San Francisco verhuisde.”

Providence Steamrollers-coach Hank Soar met spelers Dino Martin (4), George Nostrand(14), Hank Beenders (6) en een vierde speler in 1947. Foto: nbahoopsonline.com.

Ondanks de eerdere positieve reactie van schoonzoon Bruce blijkt Beenders’ familie in de tussentijd erg schuw voor nieuwsgierige landgenoten van hun overleden vader. Bruce omschrijft de kinderen van Beenders als ‘very private people’, als ik nog meer eens informeer naar de vragen die ik hem gemaild heb. Beenders’ zoon Kevin, met wie Bruce mij uiteindelijk maar in contact brengt, mailt mij enkele keren verontschuldigend dat hij te druk is. En zijn broer Henry en zus Kathy, die inmiddels ook op de hoogte zijn van de Nederlandse interesse in hun geëmigreerde vader, laten niets van zich horen.

Maar op een dag, wanneer ik de hoop al bijna opgegeven heb, en het denk te moeten doen met de her en der gevonden krantenberichten, gaat zoon Kevin er blijkbaar alsnog goed voor zitten en stuurt hij mij een lange email.

“Ik weet vrijwel niks over het leven van mijn vader voordat hij als achtjarige naar Amerika kwam, met zijn twee oudere broers en een jonger zusje”, begint hij. Zijn grootvader kwam volgens Kevin een jaar eerder al naar Amerika. “Na een jaar had hij voldoende verdiend om in het plaatsje North Plainfield, in New Jersey en niet ver van New York, een huisje te kopen en zijn gezin over te laten komen. Mijn vader heette eigenlijk Henrik maar ze veranderden dat na aankomst in het meer Amerikaanse aandoende Henry. Maar iedereen zou hem later Hank noemen.”

Via een Amerikaanse website kan ik achterhalen dat het gezin op 24 september 1924 aankomt in de haven van New York. Samen met 824 andere passagiers van de Veendam, een van de schepen van de Holland Amerika Lijn, die in Rotterdam, het Franse Boulogne-sur-Mer en het Engelse Southampton aan boord stappen.

Buitenleven

“Ze begonnen vol goede moed aan hun nieuwe leven in Amerika, en er woonden in die streek al veel bekenden van hen uit Nederland. Mijn grootvader was naar verluidt erg geliefd in de buurt. Hij was een fanatieke jager en visser en die levensstijl werd zijn zoons dus met de paplepel ingegoten.” Zodra de kans zich voordeed waren de jongens en hun vader al voor zonsopgang op, om de natuur in te trekken. Niet voor niets krijgt Hank in 1946 een jachtgeweer cadeau, als hij Long Island University gedag zegt. Het liefst trekt hij namelijk in het weekend de natuurgebieden van New Jersey in, om een mooie forel aan de haak te slaan of een fazant te schieten. “Het buitenleven, the outdoors, dat was mijn vader’s grote liefde”, schrijft Kevin. “Hij was een uitmuntend visser en ik denk dat hij zo geleerd heeft om geduldig te zijn en nooit op te geven.”

Die eigenschap komt Beenders goed van pas als hij eind jaren dertig de talloze aanbiedingen van universiteiten doorneemt, die hem graag willen verwelkomen vanwege zijn basketbaltalent en zijn lengte van bijna twee meter, waarmee hij de langste basketballer in de wijde omtrek is. Een paar jaar daarvoor kiest Beenders in eerste instantie voor het werkende leven, zo vertelt Kevin. Na zijn middelbare school werkt hij een tijdje in een machinefabriek en klust hij ’s avonds en ’s nachts wat bij als medewerker van een tankstation. “Na een jaar besloot hij echter toch te gaan studeren en te gaan basketballen. Zijn high school-coach raadde hem af om naar LIU te gaan, wat destijds een van de topuniversiteiten was op basketbalgebied. Hij zou weinig speeltijd krijgen, dacht die coach, omdat mijn vader niet goed genoeg zou zijn. Ik denk dat mijn vader dat als een uitdaging opvatte.”

LIU Blackbirds

Beenders verhuist naar Brooklyn, waar de campus van LIU gevestigd is, een paar honderd meter van de plek waar vandaag de dag het Barclays Center staat, thuisbasis van het NBA-team de Brooklyn Nets. Collegebasketbal is in die tijd talloze malen populairder dan de professionele competities en de Blackbirds, zoals de spelers van LIU ook wel genoemd worden, spelen hun thuiswedstrijden in de beroemde sporttempel Madison Square Garden in Manhattan, aan de andere kant van de beroemde Brooklyn Bridge.

Beenders’ doorbraak vindt volgens zijn zoon plaats tijdens een wedstrijd tegen het team van Canisius, uit Buffalo. “LIU had 23 wedstrijden achter elkaar gewonnen maar stond bij rust meer dan twintig punten achter. Mijn vader scoorde echter 23 punten in de tweede helft, waaronder de winnende score, twee seconden voor het einde van de wedstrijd.” Beenders krijgt vervolgens veel meer speeltijd en wordt volgens zoon Kevin “the talk of New York.”

Na vier jaar militaire dienst krijgt Beenders een contract bij de profs van de New York Knicks, die hem nog voordat het seizoen 1946-1947 begint ruilen tegen twee spelers van de Providence Steamrollers. Tijdens zijn eerste seizoen behoort Beenders tot de topscorers van de BAA, met ruim twaalf punten gemiddeld per wedstrijd. “Daarna kwam hij via de Philadelphia Warriors terecht bij de Boston Celtics, waar hij zijn loopbaan beëindigde. Daarna heeft hij kort de New York Knicks getraind, tijdens hun voorbereiding op een nieuw seizoen. Op verzoek van de coach van de Knicks, Joe Lapchick, die in het ziekenhuis lag.”

Zijn korte periodes bij de Knicks, eerst als speler en later als trainer/coach, waren tot op heden niet algemeen bekend. Uit mijn onderzoek blijkt dus echter dat Beenders een speciale band moet hebben gehad met de club uit New York, een van de meest beroemde basketbalclubs ter wereld.

Winnen

“Uit de artikelen die mijn moeder heeft bewaard, kan ik opmaken dat mijn vader echt liefde voor het spelletje had”, vervolgt Kevin. “Maar hij speelde om te winnen. Ik kan mij nog goed herinneren hoe hij vaak zei: ‘Als je niet speelt om te winnen, waarom doe je dan überhaupt mee?’”

Maar zelfs Beenders zinkt de moed in de schoenen als hij George Mikan tegenover zich vindt, de blanke reus die met recht de eerste speler genoemd mag worden die de NBA domineert. Met zijn 2,08 meter is hij in die tijd een van de grootste spelers ooit. Zijn dikke brillenglazen en keurige kapsel geven hem een wat sullig uiterlijk, maar laat er geen misverstand over bestaan: Mikan domineert tussen 1947 en 1956 de NBA en degradeert persoonlijke tegenstanders elke wedstrijd weer tot figuranten. “Mijn vader was al begin dertig toen hij tegen hem speelde en kwam tot de conclusie dat hij totaal geen partij kon bieden tegen Mikan. Dat zorgde er mede voor dat hij besloot om ermee te stoppen, om zich meer met zijn gezin en natuurlijk het vissen en jagen te kunnen bezighouden.”

Als Beenders in 1950 mede daarom definitief stopt, komt hij via een voormalige trainer aan een internationale verkoopfunctie, voor een bedrijf in New York. Hij reist daarvoor de hele wereld over en gaat begin jaren tachtig met pensioen, na meer dan dertig jaar trouwe dienst.

Scoreformulier van een wedstrijd op 17 november 1948, met aan de zijde van de Celtics teamgenoten Hank Beenders en Johnny Bach, een kind van Nederlandse emigranten in Amerika. Aan de kant van de Lakers onder andere George Mikan. Bron: Boston Globe.

Trots

Beenders komt echter nog maar één keer in Nederland. “Mijn vader nam zijn moeder ergens halverwege de jaren zeventig een keer mee terug naar Nederland”, vertelt Kevin. “Ze verbleven bij familie van haar kant, in Haarlem. Maar mijn vader kon geen woord Nederlands meer en zelfs zijn moeder was de meeste Nederlandse woorden vergeten.” Het contact met de familie in Nederland is sindsdien langzaam geheel verwaterd. “Mijn vader zag zichzelf als een ‘Dutch-American’, en ook ik vertel iedereen die ernaar vraagt dat ik trots ben op mijn Nederlandse afkomst, maar hij hield van de Verenigde Staten en waar ons land voor staat.”

Uit de afsluitende zinnen in de email kan ik opmaken dat het hierbij zal blijven, als het aan Kevin ligt. Hier moet ik het dus mee doen. Ondanks verzoeken van mijn kant komen er verder inderdaad geen anekdotes mijn kant op en blijven sommige van mijn vragen onbeantwoord.

Wat herinnerde Henry Beenders zich bijvoorbeeld nog van zijn leven in Haarlem, waar hij op zijn achtste vertrok? Hoe vond hij het om in de jaren zeventig nog eenmaal terug te zijn in Nederland? En volgde hij het basketbal nog, nadat hij zijn kort loopbaan als prof beëindigde? Vragen waar ik geen antwoord meer op krijg. En vragen die Beenders zelf, als hij nog had geleefd, wellicht ook niet zomaar had beantwoord. Want op basis van wat ik nu weet, was hij niet veel spraakzamer en toeschietelijker dan zijn familieleden. Het verleden laat je rusten, zo lijken zij te denken. En ook dat past weer bij mijn beeld van Beenders. Als achtjarig ventje voelt hij zich misschien weggerukt uit zijn vertrouwde omgeving en van zijn vriendjes en familie in Haarlem. Maar net als zoveel andere immigranten wordt Amerika zijn nieuwe werkelijkheid, laat hij het verleden voor wat het is en komt hij nog slechts eenmaal in Nederland.

De eerste Nederlander in de NBA loopt er al rond wanneer je nog ongegeneerd een geweer cadeau kan krijgen en blijft daardoor in Nederland lange tijd een grote onbekende. En op zijn beurt vergeet hij de Nederlandse woorden en verliest hij het contact met zijn Nederlandse familie. Een eeuw na zijn boottocht naar Amerika blijkt het Haarlemse jochie begraven te zijn als een halve Amerikaan.