Een ijskoude ‘night to remember’ in Chicago

Ondanks de snerpende kou komen er op de avond van 8 januari 1970 toch nog meer dan vijfduizend toeschouwers naar het Chicago Stadium. De korte wandeling van hun auto’s naar de ingangen van het stadion zullen ze snel willen vergeten. Chicago, dat sowieso al bekendstaat als de ‘Windy City’, wordt al wekenlang geteisterd door een van de meest koude periodes in tijden. Al dagenlang is het tot wel tien, vijftien graden onder nul in de miljoenenstad aan het Michigan-meer. De ijskoude wind blaast dwars door kleren en kieren. Er is geen ontkomen aan.

Eenmaal binnengekomen wacht de toegestroomde fans van de Chicago Bulls echter een onaangename verrassing. Het verwarmingssysteem is uitgevallen en het is binnenin het stadion inmiddels nog maar enkele graden boven nul. Opgetrommelde technici kunnen het euvel niet verhelpen en het blijft dus steenkoud. Op de tribunes houden de fans hun hoeden op, doen zij hun sjaals weer om en toveren ze hun handschoenen tevoorschijn. Dik ingepakt wachten ze op de wedstrijd die komen gaat.

Tom Boerwinkle, de boomlange center van de Bulls, heeft een binnenpretje als hij het tafereel overziet. Niemand weet dat hij stiekem gek is op kou.

Rust Belt

Boerwinkle houdt van de elementen. En kan hem niet koud genoeg zijn. Tijdens zijn jeugd in een voorstad van Cleveland, in de jaren vijftig, is hij vaak in het bos achter hun huis te vinden. Weer of geen weer. En anders is hij wel aan het vissen of varen. Ook zijn oudere broer en zus zijn vaak buiten te vinden. In de grote tuin spelen ze honkbal en football. Moeder bestiert het huishouden, vader werkt voor een oliebedrijf. Zijn afdeling verwerkt ruwe olie die helemaal uit Texas naar het noordelijke Ohio gepompt wordt. Het gezin woont in het gedeelte van Amerika dat vandaag de dag de Rust Belt genoemd wordt. Een streek van vergane glorie en verlaten industriebedrijven. In de tijd dat Tom er opgroeit is de industrie echter nog volop actief. 

Tom Boerwinkle en zijn ouders, beiden kind van Nederlandse immigranten. Foto: Kaye Kessler.

Vader Boerwinkle, zoon van een Nederlandse immigrant, werkt hard. Een type ‘niet lullen maar poetsen’. Hij is een liefhebbende maar strenge vader. Wat dat betreft heeft zoon Tom zijn onverschrokken mentaliteit niet van een vreemde. Wie weet zit het zelfs wel in zijn DNA, als afstammeling van onder meer Nederlandse immigranten. ‘Blue collar’ noemen ze het in Amerika: iemand die zonder klagen het vuile, soms zelfs gevaarlijke, maar belangrijke werk opknapt. Meer op basis van mentaliteit dan talent. En als basketballer knapt Tom Boerwinkle ook in het veld het vuile werk op, plukt hij misgeschoten ballen uit de lucht, duwt en trekt hij als dat nodig is en als het toevallig zo uitkomt wil hij de bal er ook nog wel eens ingooien.

De omstandigheden op deze bizarre avond schrikken hem dan ook niet af. Het is, moet zelfs hij toegeven, echter steenkoud. Hij hinkt van het ene op het andere been om een beetje in beweging en warm te blijven. Maar met zijn twee meter en dertien centimeter en zijn honderdtwintig kilo is hij voor niets en niemand bang. Laat staan voor een beetje kou. En de tegenstanders, de Suns uit het zuidelijke Phoenix, hebben het waarschijnlijk zwaarder dan de thuisspelende Bulls. De spelers van de Suns zijn warmte gewend, hun thuisbasis ligt middenin de woestijn van Arizona. Toen zij eerder vandaag op het vliegveld van Chicago uit hun chartertoestel stapten waren ze eigenlijk liever terug het warme vliegtuig ingedoken.

De scheidsrechters en medewerkers van beide clubs twijfelen. Is het wel verantwoord om te gaan spelen onder deze bizarre omstandigheden? Er wordt druk overlegd. Maar de tribunes zitten al vol warm ingepakte, verwachtingsvolle toeschouwers. Zij lijken niet van plan om de wedstrijd te laten schieten. Al was het maar om de koude terugreis naar huis nog even uit te stellen.

Mentaliteit

Hun Bulls doen het namelijk behoorlijk goed, al bestaat het team pas enkele jaren en heeft het nog geen echte sterspelers. Het zal nog veertien jaar duren voordat Michael Jordan in Chicago ten tonele verschijnt en de Bulls zes titels bezorgt. Bob Love, de ruim twee meter lange donkere forward, scoort gemiddeld weliswaar meer dan twintig punten, maar de stad omarmt de Bulls bovenal vanwege hun mentaliteit. Publiekslieveling is Tom’s boezemvriend Jerry Sloan, een blanke speler met een keurige scheiding, die later bij de Utah Jazz een van de meest succesvolle NBA-coaches ooit zal worden. Sloan is geen ‘fan favorite’ vanwege zijn acrobatische capriolen of flitsende spel, maar vanwege zijn verbeten verdediging. Hij geeft nooit op, net zo min als de andere spelers.

Die aanpak ligt Tom uitstekend. Hij is niet snel, soms zelfs wat onhandig, en heeft geen sprongkracht om over naar huis te schrijven. Maar hij werkt als een paard. Hij is namelijk een arbeiderszoon, en een kleinkind van hardwerkende immigranten uit Amsterdam, Drenthe en Friesland. Doorzetters die hun achternaam Boerwinkel veranderen in een meer Amerikaans aandoende variant en die keihard moeten knokken om een plek te verwerven in de Amerikaanse maatschappij.

Olie

Tom’s grootvader Gerrit Boerwinkel komt rond 1890 als kind naar Amerika. Diens vader, geboren in Meppel, verdient in Nederland de kost als koopman. Ook Tom’s grootmoeder Mathilde Hylkema emigreert als kind. Haar Friese ouders voelen zich aangetrokken door advertenties van de beroemde Amerikaanse industrieel John D. Rockefeller, die in Europa arbeiders zoekt voor onder meer zijn olie- en gasbedrijven. De twee families wonen in Cleveland bij elkaar in de buurt en Tom’s grootouders leren elkaar daar eind twintigste eeuw als kind al kennen. Net als Tom zijn Nederlandse grootvader sticht ook Tom’s vader daar een gezin. Tom groeit dus op in de streek waar zijn Nederlandse overgrootouders zich ooit vestigden. En ook hij zal later in de olie-industrie terechtkomen.

Maar eerst lonkt er een bestaan als professioneel basketballer. Wanneer hij in 1968 na afronding van zijn studie aangetrokken wordt door de Bulls, verhuist hij als 24-jarige naar het grote Chicago. Met teamgenoot Sloan bouwt hij al gauw zo’n goede vriendschap op dat wanneer Sloan’s buren hun huis te koop zetten, deze snel Boerwinkle tipt waarna de twee naast elkaar komen te wonen. Hun kinderen spelen later vaak met elkaar en de families bouwen een innige band op.

Het vieze werk

Op deze ijskoude avond is Sloan er, waarschijnlijk wegens een blessure, echter niet bij. Maar de Bulls zijn meer dan een verzameling spelers die goed kunnen basketballen. Boerwinkle omschrijft het team het liefst als een groep ‘role players’; spelers die hun kracht maar met name hun beperkingen kennen, die zich schikken in de rol die hun toebedeeld wordt en daarin willen excelleren. ‘Je zou kunnen zeggen dat ik het vieze werk moest opknappen,’ blikt hij later terug. ‘Maar ik was er trots op dat ik die rol jarenlang mocht vervullen binnen een succesvol team.’

Mooie, ware woorden. Maar deze wedstrijd tegen de Suns, op deze ijskoude achtste januari van 1970, wordt toch echt die van Tom Boerwinkle. Of hij het nu wil of niet. Met een persoonlijk record dat zelfs de Bulls van Michael Jordan met in hun midden de beroemde rebounder Dennis Rodman later niet meer zullen breken.

Als bekendgemaakt wordt dat de wedstrijd gewoon doorgaat, doen de reservespelers jassen aan over hun shirt en trekken ze handschoenen aan. Je zal namelijk maar op de reservebank moeten zitten, deze ijskoude avond.

Vanaf de tip-off, de ‘aftrap’ in het midden van het veld, is er meteen iets magisch met de bal aan de hand, zo lijkt het. Alsof elke misgeschoten bal, die vanaf de ring weer terug het veld in zeilt, op zoek is naar de kolenschoppen van Tom Boerwinkle. Aan het einde van het eerste kwart heeft hij al twaalf rebounds te pakken, meer dan hij er gemiddeld per hele wedstrijd noteert. ‘Nooit – niet in high school, op de universiteit of bij de profs – maakte ik dit gevoel eerder mee,’ vertelt hij later.

De juiste plek

De Suns zijn van slag, kunnen maar niet warm worden en de Bulls slaan meteen een gat. Halverwege is het verschil al 27 punten en heeft Boerwinkle inmiddels twintig rebounds te pakken. ‘De ballen vonden gewoon hun weg naar mij, ik was steeds op het juiste moment op de juiste plek.’

Boerwinkle is zijn directe tegenstanders, waaronder sterspeler Paul Silas, ver de baas. Het helpt dat hij nu eens een avondje niet tegen een van de grote, beroemde centers moet spelen die in de jaren zeventig de NBA domineren. Nooit was er in de geschiedenis van de NBA een decennium met zoveel talentvolle reuzen, die Boerwinkle avond na avond tegenover zich vindt. Zoals Bill Walton, de hippie van Portland, een van de beste grote mannen ooit. Of Jack Sikma van Seattle, wiens overgrootouders alle vier Nederlanders waren. Om nog maar te zwijgen van grootheden Wilt Chamberlain (2,16 meter) en Kareem Abdul-Jabbar (2,18 meter), twee van de beste en fysiek meest dominante spelers ooit. Dag in dag uit moet Boerwinkle vol aan de bak. Meerdere keren versperren de teams van deze fameuze spelers hem de weg naar een NBA-titel. In 1975 staan de Bulls zelfs op de drempel van de NBA-finale maar verspelen ze tegen de Warriors uit San Francisco een 3-2 voorsprong in gewonnen wedstrijden.

Tom’s favoriete wedstrijd ooit, uit zijn hele, tienjarige carrière bij de Bulls, zou echter die van vanavond worden. Hij pakt rebound na rebound en scoort en passant nog twintig punten terwijl hij bepaald niet bekendstaat om zijn scoringsdrift. Voor zover het al een wedstrijd was, is in de tweede helft de spanning totaal verdwenen. Flink wat toeschouwers gaan ruim voor het einde al richting huis. De wedstrijd is namelijk gespeeld en het wordt alsmaar kouder. Want hoezeer de monteurs ook hun best doen; de verwarming krijgen ze niet meer aan de praat.

Statistieken

Tijdens het vierde kwart, wanneer Boerwinkle inmiddels gewisseld is en zoveel mogelijk kleding aantrekt, wijst een van de assistenten van de scheidersrechters hem op zijn reboundtotaal. Hij heeft er maar liefst 37 gepakt. Of hij er niet nog even in wil, suggereert de man, zodat hij het record nog wat verder kan opvijzelen. Maar daar heeft Boerwinkle geen trek in, al kijkt hij trots terug op die bewuste avond. ‘Als ik er weer in was gegaan, was dat puur om mijn statistieken wat op te vijzelen. Ik wilde gewoon dat de Bulls zouden winnen en dat we de wedstrijd heelhuids zouden doorkomen.’

Zijn 37 rebounds zijn een clubrecord van de Bulls, dat tot op de dag van vandaag staat en waarschijnlijk nooit meer gebroken wordt. Zelfs de Bulls, die onder aanvoering van Michael Jordan begin jaren negentig drie keer kampioen worden, slagen er niet in. En dat terwijl ze in hun midden onder meer Dennis Rodman hebben, een van de beste rebounders ooit. Sinds deze ijskoude avond in Chicago heeft zelfs niemand in de NBA in één wedstrijd ooit nog meer rebounds gepakt dan Boerwinkle.

Boerwinkle maakt de latere kampioenschappen van de Bulls, wanneer halve Nederlander Johnny Bach (zie hoofdstuk x) assistent-coach is, van dichtbij mee. Als zogenaamde ‘color commentator’ geeft hij begin jaren negentig als ex-speler commentaar tijdens live-radioverslagen. Daarnaast is hij eigenaar van een oliebedrijf waar hij van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat druk mee is. Zijn vader maakt dat niet meer mee. Al tijdens het eerste seizoen van Boerwinkle overlijdt deze plotseling aan een gescheurde ader terwijl hij samen met zijn vrouw via de radio naar de verrichtingen van hun zoon luistert.

Boerwinkle (links) was als commentator in de jaren negentig getuige van meerdere kampioenschappen van Michael Jordan en de beroemde coach Phil Jackson (tweede van links). Foto: Kay Kessler.

Zo nu en dan treft Boerwinkle later nog oude maten van de Bulls. Zoals natuurlijk zijn vriend en buurman van vroeger, Jerry Sloan. En hij spreekt zo nu en dan met oud-teamgenoot Norm van Lier, die net als hij verslag doet van Bulls-wedstrijden en die naar eigen zeggen afstamt van Nederlandse slavenhandelaren en hun Afrikaanse slaven.

Een aantal familieleden van Boerwinkle reist in 2014 naar Nederland, een trip die hun Nederlandse grootouders nooit hebben gemaakt. Tom, die als kind nog aandachtig luisterde hoe zijn grootouders in het Nederlands met elkaar spraken, maakt het niet meer mee. In 2013 overlijdt hij op 69-jarige leeftijd na een jarenlange strijd tegen leukemie.

In de New York Times, die over zijn overlijden bericht, hebben zijn voormalige teamgenoten het over zijn inzet, vriendschappen en bescheidenheid. En natuurlijk over die ene, bijzondere avond in januari 1970. Die ijskoude ‘Night to Remember’.